6 februari 2005. Het is over de dertig graden, In het stoffige en gortdroge Bandung slenteren we vanuit het centrum de buitenwijken, de kampongs, in. Weg van het rumoer en de drukte komen we in een met stilte omhulde omgeving. Eigenlijk ook wel te begrijpen; want wie gaat nou om 12 uur in de middag, als de zon haar hoogste stand heeft ingenomen, de straat op. Heet, droog, stoffig. In hangmatten, op matjes, half onderuit gezakt in stoelen en opgevouwen in betjaks vermijden de inwoners de onbarmhartige zon, de koperen ploert. Wij slenteren als onervaren maar stoere toeristen langzaam verder. Het ophalen van het afval is in Indonesië anders geregeld dan in Nederland. We slaan de bocht om en belanden in een nauw zijstraatje. Het lijkt alsof iemand een afvalemmer in de brandende zon heeft neergezet met huisafval en vergeten heeft het deksel te sluiten. Als we verder lopen wordt de licht misselijk makende geur alsmaar sterker en slaat deze om in een stank waarbij je geen controle meer ...
Ook ik heb overal wel een mening over!